<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><!-- generator="wordpress.com" -->
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	>

<channel>
	<title>onzewereld &amp;laquo; WordPress.com Tag Feed</title>
	<link>http://wordpress.com/tag/onzewereld/</link>
	<description>Feed of posts on WordPress.com tagged "onzewereld"</description>
	<pubDate>Mon, 13 Oct 2008 10:11:26 +0000</pubDate>

	<generator>http://wordpress.com/tags/</generator>
	<language>en</language>

<item>
<title><![CDATA[Filantropie op z’n Amerikaans (OnzeWereld, juni 2007)]]></title>
<link>http://petervermaas.wordpress.com/2007/06/01/filantropie-op-z%e2%80%99n-amerikaans-onzewereld-juni-2007/</link>
<pubDate>Fri, 01 Jun 2007 18:51:45 +0000</pubDate>
<dc:creator>Peter Vermaas</dc:creator>
<guid>http://petervermaas.nl.wordpress.com/2007/06/01/filantropie-op-z%e2%80%99n-amerikaans-onzewereld-juni-2007/</guid>
<description><![CDATA[Terwijl de Amerikaanse regering zich niet houdt aan de internationale afspraken over ontwikkelingshu]]></description>
<content:encoded><![CDATA[<p>Terwijl de Amerikaanse regering zich niet houdt aan de internationale afspraken over ontwikkelingshulp, geven rijke Amerikanen als Bill Gates jaarlijks miljarden dollars weg voor projecten in de Derde Wereld. Nergens is de filantropische traditie zo groot als in de Verenigde Staten. Peter Vermaas zocht uit waarom de geefcultuur juist in de Amerikaanse cultuur is ingebed. 'Filantropie is een antwoord op een van de grootste behoeften van het kapitalisme: dynamiek.'</p>
<p>DOOR PETER VERMAAS</p>
<p>  </p>
<p>Drie snelle dagen in een hotel in New York en de miljarden vlogen je om de oren. Voormalig president Bill Clinton had namens zijn stichting wat uitnodigingen verstuurd aan oude vrienden in de politiek, het bedrijfsleven en bij niet-gouvernementele organisaties. Een flink aantal workshops, lunches en plenaire sessies later had hij voor zijn goede doelen 7,3 miljard dollar bij elkaar gesprokkeld.</p>
<p>Trotse chief executive officers van bedrijven als Procter &#38; Gamble, Virgin en Wal-Mart mochten met de nog altijd immens populaire Clinton op de foto en kondigden aan welk megabedrag ze in welk project van welke hulpclub zouden steken. Op de eerste dag van de bijeenkomst verscheen zelfs first lady en charitaskoningin Laura Bush aan de zijde van de voormalige president. Zij beloofde, overigens namens de Amerikaanse regering, 16 miljoen dollar te investeren in een waterpompproject in Afrika. 'Give her a big hand!' glimlachte Clinton.</p>
<p>Het was, half september, een feel good-bijeenkomst zoals alleen Amerikanen die kunnen organiseren. Aan het eind van de jaarlijkse conferentie van het Clinton Global Initiative moest iedere deelnemer het gevoel hebben gehad dat in een weekje alle wereldproblemen konden worden opgelost. Dat kon natuurlijk niet echt, maar met 7 miljard dollar (5,5 miljard euro) kun je een hoop doen. Ter vergelijking: de Nederlandse regering reserveerde in 2006 totaal 4,2 miljard euro voor ontwikkelingssamenwerking.</p>
<p>Bill Clinton is lang niet de enige die zich in de Verenigde Staten bezighoudt met goede werken. Ieder zichzelf respecterend bedrijf, iedere multimiljonair, iedere film- of televisiester heeft zijn eigen stichting. Wie in zijn leven wel veel geld heeft verdiend, maar niet filantropisch actief is, wordt scheef aangekeken.</p>
<p>Zo kent Amerika al jaren de foundations van bijvoorbeeld Carnegie, Ford of Rockefeller - tycoons aan het begin van de twintigste eeuw. Die captains of industry gingen destijds verrassend genoeg voor advies naar Europa, weet hoogleraar Theo Schuijt, initiator van het jaarlijkse onderzoek Geven in Nederland. 'We denken nu dat het uitsluitend Amerikaanse toestanden zijn, maar de nouveau riche van eind negentiende, begin twintigste eeuw trok naar Europa om te zien hoe daar sociale en culturele instellingen met filantropisch geld betaald werden.'</p>
<p>Duur verdiende dollars</p>
<p>Door de economische boom in de jaren negentig, is het aantal filantropen en het voor goede doelen beschikbare privégeld enorm toegenomen. Waren het aan het eind van de industriële revolutie vooral olieboeren (Rockefeller) of staalmagnaten (Carnegie) die hun duur verdiende dollars teruginvesteerden in de samenleving, nu levert vooral de wereld van (nieuwe) media veel weldoeners op. Terwijl de oude generatie filantropen via studiebeurzen, musea, of ziekenhuizen vooral geld investeerde in de Amerikaanse samenleving, kijkt de nieuwe generatie, door het wereldwijde web en de aanslagen op 11 september 2001, verder dan de landsgrenzen.</p>
<p>Neem bijvoorbeeld de David &#38; Lucille Packard Foundation, bekend van de Hewlett-Packard (HP) printers en computers. Of de Gordon and Betty Moore Foundation van de oprichter van Intel, de microprocessorfabrikant. Of de United Nations Foundation van voormalig CNN-chef Ted Turner. Zelfs de oprichters van internetzoekmachine Google, een bedrijf dat pas negen jaar bestaat, zijn inmiddels onder de naam Google.org een goededoelentak begonnen.</p>
<p>Maar de meest voorname filantroop die de jaren negentig heeft voortgebracht is natuurlijk Microsoft-baas Bill Gates. De rijkste persoon op aarde stichtte met 30 miljard particulier vermogen de Bill &#38; Melinda Gates Foundation en heeft vorig jaar een vergelijkbaar bedrag van verzekeringsmagnaat Warren Buffet toegezegd gekregen. De Bill &#38; Melinda Gates Foundation is hiermee de rijkste particuliere ontwikkelingsclub in de wereld en werkt met een indrukwekkend professionele organisatie in meer dan honderd landen aan onder ander verbetering van de gezondheidszorg. Met megagiften wordt bovendien malaria- en aidsonderzoek aan westerse universiteiten gefinancierd. Totaal werd in 2005 1,55 miljard dollar weggezet.</p>
<p>Waarom doet Bill Gates dat? En kunnen we in Europa iets van de Amerikaanse filantropische traditie leren?</p>
<p>Amerikaanse geefcultuur</p>
<p>Claire Gaudiani van New York University schreef onlangs het boek The Greater Good; How Philanthropy Drives the American Economy and Can Save Capitalism. Ze noemt 'geven', zowel charitas als filantropie, 'een van de belangrijkste elementen van de Amerikaanse cultuur'. Al in 1630, betoogt ze, toen in Boston een groep Britse kolonisten aan land ging, werden de fundamenten voor de Amerikaanse geefcultuur gelegd. In een beroemd geworden preek verordonneerde kolonistenleider John Winthrop dat zijn groep 'als één man' beschouwd zou moeten worden. Iedereen die 'superfluities' (overtollig geld) zou hebben, moest dat ter beschikking stellen aan de mensen die het minder breed hadden. Direct in 1636 bij de oprichting van Harvard University, de oudste universiteit van Boston, werd daar gevolg aan gegeven door studiebeurzen ter beschikking te stellen voor kinderen van minder vermogende ouders.</p>
<p>'De rijke kolonisten concludeerden dat veel geld werd verspild als talentvolle kinderen niet naar de universiteit zouden kunnen', zegt Gaudiani, 'daarom zorgden ze voor die scholarships. Dat was puur eigenbelang, want ze wisten dat iedereen nodig was om de economie te laten floreren.' Volgens Gaudiani is filantropie een onlosmakelijk onderdeel van het Amerikaanse economische systeem. Het kapitalisme is gebaat bij actieve filantropen. 'Het lijkt een tegenstelling: kapitalisme probeert rijkdom te concentreren, terwijl filantropie rijkdom juist wil verdelen', zegt ze. 'Maar filantropie is een antwoord op een van de grootste behoeften van het kapitalisme: dynamiek. Een markt heeft veel activiteit nodig en weinig restricties. Hoe meer mensen hun dromen kunnen waarmaken, hoe actiever een economie kan zijn. Het gaat om de groei van menselijk kapitaal.'</p>
<p>Dat geldt natuurlijk in het bijzonder voor alle investeringen die filantropen in Amerika zelf deden. Ook Bill Gates heeft in eigen land projecten om armere mensen beter onderwijs of betere gezondheidszorg te verstrekken. Maar, zoals gezegd, het merendeel van zijn activiteiten ligt in de Derde Wereld. Daar lijkt op het eerste gezicht voor Gates geen enkel persoonlijk economisch belang mee gemoeid. Ook profiteert het Amerikaanse kapitalisme niet meer van Gates' miljarden dollars. Maar Gaudiani is volhardend. 'Wat Bill Gates doet is geen charitas, het is echt filantropie', zegt ze. 'Hij geeft dus niet zomaar wat geld weg, maar hij investeert zijn geld. En eens krijgt hij het terug. Want misschien dat door zijn programma's in Afrika opeens iemand de kans krijgt wetenschapper te worden en op een dag een belangrijk medicijn voor de kinderen van Bill Gates ontwikkelt. In een geglobaliseerde wereld maakt het niet veel verschil of je in de VS of in de wereldgemeenschap investeert.'</p>
<p>Nederlandse rijkaards</p>
<p>Onder de allerrijkste Amerikanen neemt vrijgevigheid nog altijd toe, terwijl in Nederland miljardairs als John de Mol of Charlene de Carvalho-Heineken op hun geld blijven zitten. 'John de Mol is gewoon een schatrijke patjakker', lacht hoogleraar Schuijt. Typerend blijft de oproep die Prins Bernhard kort voor zijn overlijden deed aan de 500 rijkste Nederlanders om een project van zijn Wereldnatuurfonds te ondersteunen. Totaal haalde hij een schamele 34 duizend euro op. Schuyt: 'Nederlandse rijkaards denken: wij hebben via onze belastingbetalingen al zoveel voor de wereld gedaan, laat de overheid dit soort dingen maar regelen.'</p>
<p>In Amerika is 'een soort groepsdruk ontstaan om goed te doen', zegt professsor Stanley Katz van Princeton University. 'Als iemand als Gates miljarden reserveert voor goede doelen, dan zien miljardairs die ongeveer in dezelfde vermogenscategorie zitten, dat ze niet kunnen achterblijven.'</p>
<p>Maar niet alleen miljonairs en miljardairs geven veel. Meer dan 80 procent van de gewone Amerikanen draagt ieder jaar (fiscaal aftrekbaar) bij aan een goed doel. 'Generositeit', meent Claire Gaudiani daarom, 'is een basiswaarde van onze natie.'</p>
<p>Daarmee zit ze op één lijn met het Hudson Instituut, een ietwat conservatieve maar officieel 'onpartijdige' denktank die vorig jaar de zogenoemde Global Philanthropy Index publiceerde. Daarin werd becijferd dat alle Amerikanen bij elkaar in 2004 voor ontwikkelingssamenwerking maar liefst 71 miljard privaat geld weggaven. Dat is bijna zes keer zoveel als de officiële overheidshulp van de VS. Maar, merkt onderzoeker David Rootman van het Center for Global Development in Washington op: dat bedrag is inclusief 47 miljard aan overboekingen die migranten naar hun thuisland doen. De resterende 24 miljard bestaat uit geld van de genoemde foundations, liefdadigheid van grote bedrijven (soms discutabel: grote farmaceutische bedrijven die overjarige medicijnen in Afrika droppen), privé- en vrijwilligersorganisaties, onderwijsinstellingen en religieuze organisaties.</p>
<p>Het cijfer van 71 miljard is dus nogal geflatteerd. Maar het wordt door het Hudson Instituut gebruikt om de relatief geringe Amerikaanse overheidsontwikkelingshulp te billijken. Terwijl de rijke landen in de jaren zeventig hebben afgesproken 0,7 procent van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI) aan ontwikkelingssamenwerking te besteden, lappen de VS die afspraak aan hun laars. Maximaal 0,22 procent van het inkomen van het rijkste land op aarde gaat volgens recente gegevens van het Development Assistance Committee (DAC) naar ontwikkelingshulp. Overigens is de hulp sinds 2001, toen George W. Bush president werd, wel bijna verdubbeld. Onder de Democraat Clinton waren de Amerikanen nog krenteriger. Maar, haast David Rootman zich te zeggen: een groot deel van de Amerikaanse hulp gaat naar Israël, Irak en Afghanistan en is ook nog eens aan alle mogelijke ongunstige of religieuze voorwaarden gebonden.</p>
<p>Minder gul</p>
<p>Veel Amerikafans slikten de politiek gemotiveerde rekensommetjes van het Hudson Instituut niettemin voor zoete koek. Toen het rapport verscheen, wijdde voormalig Journaal-correspondent Charles Groenhuijsen daar meteen zijn wekelijkse internetcolumn aan. 'Onvoorstelbaar', jubelde Groenhuijsen over de 71 miljard. Met het rapport is volgens hem 'die akelige mythe van de krenterige Amerikanen dus uit de wereld'.</p>
<p>Dat laatste klopt op zich: Europeanen zijn privé aanzienlijk minder gul dan Amerikanen. Er zijn niet veel gegevens beschikbaar, maar volgens de meest gunstige schattingen van het DAC geven Europeanen privé per jaar maximaal vier miljard dollar weg voor ontwikkelingshulp. Maar in Europa wordt ontwikkelingssamenwerking dan ook in de eerste plaats als een overheidstaak gezien. De Scandinavische landen en Nederland houden zich keurig aan de 0,7 procentsafspraak en veel andere Europese landen geven percentueel ook aanzienlijk meer dan de Amerikanen.</p>
<p>Dat is niet zo vreemd, zegt Peter Frumkin van de Universiteit van Texas. In Europa is de staat nu eenmaal wat belangrijker dan in de VS. 'Europeanen hebben de neiging eerst naar de overheid te kijken, terwijl Amerikanen daar echt pas op het allerlaatste moment een beroep op zouden doen.' Amerikanen betalen in verhouding ook weinig belasting. Frumkin: 'Mensen in Amerika willen iets terug doen voor de samenleving waaraan ze zoveel te danken hebben. Dankzij je universiteitsopleiding ben je uiteindelijk miljonair geworden: dan doe je dus op zeker moment een grote gift aan je oude universiteit. Identificatie is een belangrijke drijfveer.'</p>
<p>Het Hudson Institute, en andere organisaties die vol enthousiasme het evangelie van de filantropie prediken, zien een kleine staat als het enig werkbare bestuursmodel. Ze maken er geen geheim van dat ze regeringen en inspanningen van regeringen wantrouwen. Het Hudson maakt in het filantropierapport gehakt van de Millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties. Om de Millenniumdoelen te halen, zouden alle rijke landen immers aan die 0,7 procent moeten voldoen. Maar, vindt het Hudson, dat is een 'ouderwetse manier van denken': het percentage is immers een nogal willekeurig gekozen politiek compromis dat bovendien geen enkele rekening houdt met private giften. Amerika, betoogt het instituut nog maar eens, is door die private giften veel royaler dan het lijkt en hoeft zich dus niet gebonden te voelen aan de internationale afspraak.</p>
<p>Met instemming citeert het instituut de beroemde ontwikkelingseconoom Bill Easterly, die regelmatig heeft verzucht dat er bijna twintig jaar na de val van de Berlijnse muur nog maar één beleidsterrein is waar centrale planning nog immer gezien wordt als dé manier om welvaart te vergroten: internationale ontwikkelingssamenwerking. De Millenniumdoelen zijn volgens Easterly verkeerd omdat ze uitgaan van de effectiviteit van buitenlandse hulp, terwijl die niet bewezen is. Er is de laatste vijftig jaar 2,3 biljoen dollar aan ontwikkelingshulp gegeven en toch is Afrika nog steeds arm, is de ietwat simplistische redenering.</p>
<p>Maar wie zegt dat private hulp wél werkt? David Rootman stelt jaarlijks de Commitment to Development Index samen. Aan de hand van een aantal criteria laat hij in deze ranglijst zien welk van de rijke landen het 'beste', meest coherente, ontwikkelingsbeleid heeft. Nederland voerde vorig jaar de lijst aan en de VS bungelden, zoals gebruikelijk, ergens onderaan. Rootman erkende vorig jaar in een interview in onzeWereld dat de index in de eerste plaats bedoeld is als lobbymiddel om de eigen regering ervan te overtuigen meer officiële ontwikkelingshulp te geven. Zijn organisatie staat dus lijnrecht tegenover de filantropen van het Hudson Instituut. 'Hoewel volgens mij geen algemeen onderzoek is gedaan, durf ik te beweren dat regeringshulp over het algemeen beter en vooral veel diverser is dan private hulp', zegt Rootman. 'Misschien kennen charitas en filantropie wel betere accountability, maar regeringen doen over het algemeen niet alleen projecten, maar zitten bijvoorbeeld ook in begrotingssteun of schuldenverlichting. Met dat soort middelen kun je in ontwikkelingslanden ook beleidsveranderingen teweeg brengen.' Om een lang verhaal kort te maken: de vergelijking die het Hudson Instituut maakt tussen de bedragen voor overheidshulp van Europa en private ontwikkelingshulp uit de VS is 'vals'.</p>
<p>Kan Europa iets van Amerika leren? Rootman hoeft niet lang na te denken. 'Nee. Maak je geen zorgen: Nederland loopt op het gebied van ontwikkelingssamenwerking echt ver vooruit. Mensen als Bill Gates doen prachtig werk, maar filantropie maakt bilaterale ontwikkelingshulp niet overbodig.'</p>
<p>© onzeWereld, juni 2007</p>
<p><font size="2" face="Arial"></font></p>
]]></content:encoded>
</item>
<item>
<title><![CDATA[Meten is zweten (onzeWereld mei 2006)]]></title>
<link>http://petervermaas.wordpress.com/2006/12/13/meten-is-zweten-onzewereld-mei-2006/</link>
<pubDate>Mon, 01 May 2006 16:32:33 +0000</pubDate>
<dc:creator>Peter Vermaas</dc:creator>
<guid>http://petervermaas.nl.wordpress.com/2006/05/01/meten-is-zweten-onzewereld-mei-2006/</guid>
<description><![CDATA[Minister Van Ardenne wil precies weten wat hulporganisaties de komende jaren van plan zijn en wat vo]]></description>
<content:encoded><![CDATA[<p>Minister Van Ardenne wil precies weten wat hulporganisaties de komende jaren van plan zijn en wat voor resultaat die inspanningen hebben. Maar niet alle effecten zijn in cijfers te vangen, stelt een adviescommissie onder leiding van Hans Dijkstal. Ontwikkelingswerk, vindt de oud-minister, is een zaak van lange adem.</p>
<p>door: Peter Vermaas</p>
<p>Bijna dagelijks maakt voormalig vice-premier Hans Dijkstal zijn opwachting in het Haagse perscentrum Nieuwspoort. De ene dag spreekt hij namens een groep ontevreden oud-politici over het polariserende kabinet-Balkenende, de andere dag presenteert de oud-VVD-minister van Binnenlandse Zaken een rapport van een van de vele adviescommissies waar hij deel van uitmaakt. Dijkstal is beroepsadviseur: hij is de pacificerende wijze man uit de dagen dat Nederland nog in rustig vaarwater verkeerde. Een genuanceerd poldermens.</p>
<p>Dus vroegen medefinancieringsorganisatie Icco, het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) en SNV Nederlandse Ontwikkelingsorganisatie Dijkstal om als relatieve buitenstaander zijn licht te werpen op de verantwoording van geld waar ontwikkelingsorganisaties door de overheid om worden gevraagd. In een interview had Dijkstal jaren geleden voor de vuist weg gezegd dat kunst ‘belangrijk’ is voor de samenleving. ‘Maar hoe kun je dat dan meten?’ vroeg de journalist vervolgens. ‘Dat moet je niet willen meten’, antwoordde Dijkstal. ‘Je mag kijken hoe ver je komt, maar of kunst voor de samenleving belangrijk is, moet je durven laten beantwoorden door deskundigen. En als die vinden dat kunst belangrijk is, dan mag je daar op afgaan.’</p>
<p>Nu is ontwikkelingssamenwerking iets heel anders dan het verlenen van subsidie aan De Nederlandse Opera of het Groninger Museum. Maar Icco, KIT en SNV hadden in Dijkstal hun man gevonden. Zelf was hij verantwoordelijk voor de rekrutering van de overige leden van de commissie. Hij belde de vertrokken D66-leider Thom de Graaf, de voormalig CEO Fokke van Duyne van Hoogovens, voorzitter Ed d’Hondt van de Vereniging van Nederlandse Universiteiten, en de Amsterdamse oud-VVD-wethouder Edgar Peer. Stuk voor stuk mensen zonder achtergrond in de ontwikkelingssamenwerking en daarom buitengewoon ‘onafhankelijk’, benadrukken de Icco, KIT en SNV. Dijkstal: ‘We hebben er wel iets mee, zonder dat we er deel van uitmaken.’</p>
<p>Na een literatuurstudie werden interviews gehouden en rondetafelgesprekken gevoerd met mensen uit de wereld van de ontwikkelingssamenwerking: wetenschappers, directeuren van hulporganisaties en beleidsmedewerkers van Buitenlandse Zaken. En om de aansluiting met de moderne tijd niet te missen, werd ook voormalig letteromdraaister en Yorin-omroepster Cindy Pielstroom, initiatiefnemer van lobbyclub Globalicious, aan tafel uitgenodigd.</p>
<p>Begin vorige maand presenteerden de heren hun rapport. Die timing was gewaagd. Want op 22 april moesten de honderden particuliere Nederlandse ontwikkelingsorganisaties die voor de periode 2007-2010 aanspraak willen maken op geld van de overheid, hun subsidieaanvraag inleveren. Voor het eerst werd daarbij gewerkt met het nieuwe Medefinancieringsstelsel van minister Van Ardenne. Daarin wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen brede medefinancieringsorganisaties (zoals Icco en Novib) en hulpclubs als War Child, die zich op één onderwerp richten. Iedere organisatie moet in het nieuwe stelsel een kwart van haar inkomsten uit eigen fondsenwerving halen, wat volgens sommige mensen zal leiden tot heviger concurrentie en meer pr-kosten.</p>
<p>En, belangrijk: gedetailleerder dan ooit moesten de organisaties op een schier oneindige vragenlijst aangeven wat ze van plan zijn in de komende jaren te gaan doen en waar die activiteiten toe moeten leiden. Terwijl in andere gremia van het rijksbeleid de afrekencultuur al een paar jaar gemeengoed is, moest nu ook de sector ontwikkelingssamenwerking eraan geloven. Maandenlang hebben de organisaties zitten zweten om hun aanvraag op tijd en zo eerlijk als mogelijk ingevuld te krijgen. Sommige ontwikkelingsorganisaties huurden daarvoor zelfs de hulp van duurbetaalde consultants in.</p>
<p>Verwarring</p>
<p>Dijkstal zorgt voor verwarring. Hij draait de klok terug en neemt, in de woorden van SNV-directeur Dirk Elsen, afstand van de ‘zoektocht naar de heilige graal’: het tot in detail speuren naar meetbare resultaten. Elsen, en de andere opdrachtgevers, noemen het rapport ‘verrassend’ en ‘verfrissend’.</p>
<p>De commissie vindt dat ‘met het oog op subsidietoewijzing en verantwoording te veel waarde wordt gehecht aan resultaatmeting en de daaruit voortvloeiende beoordeling van de effectiviteit van organisaties’. Het is ‘relatief eenvoudig’ om het concrete resultaat van je inspanningen te laten zien, meent de commissie. Maar laten zien wat je daadwerkelijk wilt bereiken is een stuk moeilijker. Je kunt bij ontwikkelingswerk immers moeilijk zien welke bijdrage een specifieke activiteit heeft geleverd in een omgeving waarin verschillende factoren een rol spelen. Bovendien is het, nog afgezien van de betrouwbaarheid van vaak door partnerorganisaties in de Derde Wereld aangeleverd cijfermateriaal, lastig om ongelijksoortige resultaten van verschillende activiteiten bij elkaar op te tellen. Daarnaast is ontwikkelingswerk, zegt Dijkstal, een zaak van lange adem: het is moeilijk op de korte termijn resultaten in cijfers te vatten.</p>
<p>Het is goed om publiek geld netjes te verantwoorden, vindt Dijkstal. Maar als het ‘doorslaat in een systeem dat erg bureaucratisch wordt en waarin je denkt dat je tot in het kleinste detail ingewikkelde processen kunt uitdrukken in getallen’, dan moet je daarvan terugkomen, zei hij bij de presentatie van zijn rapport. Effectiviteit meten is prima, ‘maar je moet oppassen dat je dat niet doet met meetinstrumentarium dat niet geschikt is of onvoldoende ontwikkeld is, en in ieder geval verkeerd materiaal oplevert.’ Het is een ‘illusie’ dat het gevraagde cijfermateriaal ‘de werkelijkheid benadert’.</p>
<p>Dijkstal cum suis vindt het tijd voor een heel andere aanpak. ‘Het is wenselijk (terug) te keren naar een situatie waarin de overheid durft te sturen op vertrouwen in de professionaliteit van organisaties’, meldt het rapport. Kortom: verstrek subsidie aan ontwikkelingsorganisaties die intern hun zaakjes op orde hebben, die een goede bedrijfsvoering hebben, hun club managen in overeenstemming met de Code Goed Bestuur voor Goede Doelen, en die ‘ordentelijke en transparante’ verslaglegging en accountantscontrole toestaan. Ondertussen moeten de bestuurders van organisaties proberen te leren van gemaakte fouten en minder ‘naar binnen gericht’ opereren. De ‘angstcultuur’ in het gesloten wereldje van ontwikkelingssamenwerking moet vervangen worden door eerlijke communicatie. Woordvoerder Erik van Velzen van Icco geeft direct het goede voorbeeld. Zonder morren laat hij desgevraagd weten dat het 42 pagina’s tellende rapportje van Dijkstal het niet onaanzienlijke bedrag van 120.000 euro heeft gekost.</p>
<p>Prullenbak</p>
<p>Het CDA is ‘verbaasd’ over het rapport, de VVD vindt dat de ‘bevindingen over misstanden bij ontwikkelingsorganisaties niet rijmen met de conclusie dat er minder effectiviteitmetingen moeten komen’ en GroenLinks heeft minister Van Ardenne inmiddels om schriftelijke uitleg gevraagd over haar bekritiseerde nieuwe subsidiestelsel. Ondertussen heeft de minister het rapport daags na verschijnen gevoeglijk naar de prullenmand verwezen. Ze neemt afstand van de conclusies van Dijkstal en blijft bij haar stelling dat hulp meetbaar moet zijn. ‘De tijd is voorbij dat we mensen op hun blauwe ogen kunnen vertrouwen’, zei haar woordvoerster.</p>
<p>Haar partijgenoot Jos van Gennip, die nota bene aan de wieg van het nieuwe stelsel stond, kijkt daar iets anders tegenaan. De senator en voormalige directeur van de katholieke ontwikkelingsclub Cebemo is het met Dijkstal eens dat het in een ontwikkelingsproces op korte termijn vaak moeilijk is om aan te tonen wat het werk heeft opgeleverd. VVD-minister Schoo, die in de jaren tachtig Ontwikkelingssamenwerking bestierde, kreeg veel kritiek omdat ze met Nederlands geld havens liet aanleggen en rivieren liet baggeren in India. ‘En zie nu, twintig jaar later’, zegt Van Gennip, ‘het wonder India dat massaal eigen pro¬ducten exporteert. Tuurlijk, dat doen ze op eigen kracht. Maar waarom kúnnen ze exporteren? Omdat ze goede havens hebben!’</p>
<p>Ook Van Gennip vindt de nadruk op meetbaarheid en transparantie ‘doorgeschoten’. ‘Er is bij de overheid geen tak van sport waar zoveel controle is als bij ontwikkelingssamenwerking’, zegt hij. En bovendien: waar gehakt wordt, vallen spaanders. Wat dat betreft wordt er volgens Van Gennip in Nederland met twee maten gemeten. ‘Als je in ontwikkelingslanden bezig bent, dan neem je een enorm risico. Net als wanneer je intervenieert in de Nederlandse samenleving. Alles wat je bedenkt kan mislukken, dat moet je op de koop toenemen. Kijk naar de investeringen die de overheid in Volvo Nedcar heeft gedaan. Die miljarden zijn down the drain ge¬gaan, zou men bij Ontwikkelingssamenwerking zeggen. Je kunt ook zeggen dat er een serieuze poging is gedaan om werkgelegenheid in Zuid-Limburg te scheppen.’</p>
<p>Daar is docent ontwikkelingsstudies Lau Schulpen van de Radboud Universiteit Nijmegen het mee eens. Hij roept de Betuwelijn in herinnering. Die is inmiddels vele malen duurder geworden dan begroot en het is nog altijd de vraag of er ooit één kuub cargo over vervoerd gaat worden. Dat het effect van de hulp niet altijd meteen is aan te geven, weet minister Van Ardenne trouwens zelf ook, benadrukt Schulpen. In haar notitie Resultaten in ontwikkeling uit 2004 schrijft de minister: ‘Het is moeilijk, zo niet onmogelijk om een directe relatie tussen oorzaak en gevolg te geven voor de Nederlandse euro’s die besteed zijn aan ontwikkelingssamenwerking en de effecten daarvan in ontwikkelingslanden.’</p>
<p>Schulpen: ‘Dat is een fascinerende zin, waarmee de minister eigenlijk hetzelfde zegt als de commissie-Dijkstal. Van niet-gouvernementele organisaties wordt dus beduidend meer gevraagd dan het ministerie zelf aangeeft te kunnen.’ Schulpen noemt het ‘politiek zeer moedig’ dat Dijkstal de roep om meetbaarheid relativeert. ‘Het is nauwelijks aan te geven wat de directe bijdrage van bijvoorbeeld lobbyactiviteiten of maatschappijopbouw is. Er zijn zo veel verschillende elementen die in een beoordeling van de effectiviteit meegenomen moeten worden. We denken dat alles meetbaar is, maar dat is niet zo.’ Het alternatief dat Dijkstal aanreikt, ontwikkelingsorganisaties vooral te beoordelen op intern bestuur, vindt Schulpen niettemin wat mager. ‘Organisaties moeten hun geld zo goed mogelijk verantwoorden. In de eerste plaats richting publiek en politiek, maar ook voor hun eigen leervermogen. Ze moeten bovendien laten zien wat er minder goed gaat. Je kunt geen veranderingen in je beleid doorvoeren, als je niet duidelijk maakt wat eerder mislukte.’</p>
<p>Hondstrouw</p>
<p>De opdrachtgevers Icco, KIT en SNV zijn het met Dijkstal eens dat rapportages over effecten tot een papieren werkelijkheid kunnen leiden ‘die geen recht doet aan de context waarin ontwikkelingsorganisaties hun werk doen’. Icco-directeur Jack van Ham: ‘We zijn als organisatie natuurlijk hondstrouw en doen alles wat ons gevraagd wordt. Maar in toenemende mate stellen we ons de vraag hoe lang we hiermee kunnen blijven doorgaan.’ Partnerorganisaties in het Zuiden besteden soms dertig tot veertig procent van hun tijd aan het invullen van lijstjes om de donoren tevreden te stellen. ‘Als dat het effect is van waar we mee bezig zijn, dan denk ik dat bezinning hard nodig is.’</p>
<p>Heeft Dijkstal zich voor het karretje van de organisaties laten spannen? Dat nu ook weer niet. Hij gaat zelfs verder dan de organisaties in zijn opvattingen tegen het nieuwe Medefinancieringsstelsel. De aanname om met resultaatmeting te stoppen vinden de opdrachtgevers ‘te ver gaan’. Bepaalde activiteiten kunnen wel degelijk gemeten worden.</p>
<p>Directeur Ron van Huizen van Terre des Hommes, een van de andere medefinancieringsorganisaties: ‘Het pleit voor de heer Dijkstal dat hij ontwikkelingsorganisaties zo enorm vertrouwt. Het is een nobel man. Maar ik ben zelf niet zo geneigd op de blauwe ogen van de organisaties af te gaan. Ze moeten blijven aantonen of ze resultaten boeken en hoe ze dat meten. Dat gebeurde in het verleden niet alleen te weinig, maar er werd ook nauwelijks naar gevraagd. Niet door het ministerie en niet door het publiek. Laat maar zien wat je hebt gepresteerd.’</p>
<p>Kader</p>
<p>Ruerd Ruben, hoogleraar ontwikkelingsstudies en directeur van het Cidin in Nijmegen, heeft ‘met enige verbazing’ gekeken naar de effectmeting die door Buitenlandse Zaken in verband met het nieuwe medefinancieringsstelsel wordt voorgesteld. ‘Ze werken met een enigszins primitief puntensysteem. Als wetenschapper zeg ik: dat kan niet.’ De overheid en ook de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zelf zijn slecht op de hoogte van wat er internationaal op het gebied van effectmeting wordt klaargespeeld. Er zijn volgens Ruben veel betere methoden om de impact van hulp te meten. Je hebt daarvoor gegevens nodig van de groep huishoudens of individuen die van het ontwikkelingsprogramma geprofiteerd hebben én gegevens van een ‘placebogroep’ met vergelijkbare eigenschappen, die buiten het programma wordt gehouden. Is het wel ethisch is om met zo’n controlegroep te werken? Ruben vindt van wel: ‘Je kunt toch niet iedereen bedienen die je zou willen bedienen. Op deze wijze kun je construeren wat je nodig hebt voor effectmeting en jezelf de vraag stellen wat er gebeurd zou zijn als we niet zouden ingrijpen.’ Deze benadering is in Nederland vrijwel onbekend. ‘Dat is jammer, want op die manier kun je zien of het gemeten succes te danken is aan de individuen of aan het programma.’</p>
]]></content:encoded>
</item>
<item>
<title><![CDATA[Even Boudewijn bellen (Onze Wereld jul/aug 2005)]]></title>
<link>http://petervermaas.wordpress.com/2005/07/06/even-boudewijn-bellen-onze-wereld-julaug-2005/</link>
<pubDate>Wed, 06 Jul 2005 03:26:24 +0000</pubDate>
<dc:creator>Peter Vermaas</dc:creator>
<guid>http://petervermaas.nl.wordpress.com/2005/07/06/even-boudewijn-bellen-onze-wereld-julaug-2005/</guid>
<description><![CDATA[Hij voerde actie voor lang haar in het leger, moderniseerde de Novib en regelde het gironummer 555. ]]></description>
<content:encoded><![CDATA[<p>Hij voerde actie voor lang haar in het leger, moderniseerde de Novib en regelde het gironummer 555. Maar het grootste succes van Boudewijn Poelmann was de Nationale Postcode Loterij. Onder het motto ‘u een kans, zij een kans’ haalde hij inmiddels een slordige twee miljard euro voor goede doelen binnen. ‘Ik zou er niet blij mee zijn als de overheid ons grotere macht geeft.’</p>
<p>door: Peter Vermaas</p>
<p>‘Kijk’, zegt Boudewijn Poelmann, ‘het ging dus al fout bij de Batavieren.’ De oprichter van de Nationale Postcode Loterij ontvlamt een sigaret, trekt aan zijn stoel en gaat er eens goed voor zitten. ‘Die lui, die gokten er maar op los. Om bier natuurlijk. Maar als ze hun schulden niet meer konden betalen, dan werden ook de vrouwen inzet van het spel. Hun vrouwen! Als je dat als klein kind op school tijdens de geschiedenisles te horen krijgt, dan weet je maar één ding: gokken is slecht. Want straks komt mijn moeder nooit meer thuis.’</p>
<p>Hij wil maar zeggen: Nederland heeft altijd een wat moeizame verhouding met loterijen gehad. Door dit ‘oergevoel’, tot ons gebracht door die vermaledijde Batavieren, worden in Nederland per hoofd van de bevolking aanzienlijk minder lootjes verkocht dan in andere landen.</p>
<p>‘Een loterij’, zucht Poelmann, ‘daar was men tegen. Onvoorstelbaar hoe lang zo’n idee in de samenleving blijft hangen. Neem nou Spanje. Daar is het zoveel anders. Mensen doen mee omdat ze in wonderen geloven. De grootste private loterij is daar begonnen als blindenloterij: wie een lootje kocht, voorzag in het bestaansinkomen van blinden. Je helpt iemand en je hebt zelf kans op een wonder. Dat geeft natuurlijk wel even een ander beeld dan Batavieren die hun vrouwen vergokten.’</p>
<p>Maar Nederland verandert. ‘We kijken over de grenzen, we seculariseren en we worden minder monomaan in onze opvattingen. Daardoor worden we wat milder, en gelukkig ook over loterijen.’ Of zijn eigen geesteskind, de Postcode Loterij, daaraan heeft bijgedragen durft hij niet te zeggen. Feit is dat het loterijenlandschap totaal overhoop is gegooid en dat Nederlandse goede doelen daar de laatste jaren in toenemende mate van geprofiteerd hebben. ‘Maar voordat we aan het Spaanse, Duitse of Zweedse omzetniveau zijn, hebben we nog een lange weg te gaan.’</p>
<p>Nachtelijke brainwave</p>
<p>Het succes van de Postcode Loterij begint in 1989. Met studievriendje Herman de Jong, marketeer Frank Leeman en pater Simon Jelsma – ooit oprichter van ontwikkelingsorganisatie Novib – zoekt hij naar een manier om duurzaam geld te genereren voor goede doelen. ‘We hadden een boom nodig die in plaats van appels bankbiljetjes draagt. Ieder jaar moesten we opnieuw kunnen oogsten om organisaties wat meer financiële speelruimte te geven.’ Na een nachtelijke brainwave, over en weer telefoneren, een startkapitaaltje en de aanvraag van een vergunning werd de Postcode Loterij geboren.</p>
<p>En geoogst wordt er tegenwoordig jaarlijks. Niet alleen door het bedrijf van de oprichters, dat door het succes van de loterij veel geld heeft verdiend, vooral door de goede doelen. Op het ‘Goed Geld Gala’, een flashy bijeenkomst waar de deelnemende goede doelen symbolisch de beloofde miljoenen krijgen aangeboden, schudt Poelmann stevig aan de bankbiljettenboom. Met gigantische cheques in de hand, poseren de chari-bonzen van ontwikkelings-, mensenrechten- en natuur- en milieuorganisaties allemaal gewillig naast hun royaal lachende mecenas. De tientallen nagenoeg identieke plaatjes met Poelmann naast de dankbare goede-doelendirecteuren verschijnen in de krantjes van Amnesty, Natuurmonumenten, Novib, Vluchtelingenwerk en wat dies meer zij. Gratis publiciteit voor de Postcode Loterij en een flinke zak geld voor de organisaties: dat is de deal die de loterij tot een succes heeft gemaakt.</p>
<p>En dat succes is niet gering. Sinds 1989 is over de verschillende deelnemende organisaties een slordige twee miljard euro verdeeld. Op het laatste Goed Geld Gala, in januari in Hilversum, werd voor 224 miljoen euro aan cheques overhandigd. Nu minister Van Ardenne voor Ontwikkelingssamenwerking heeft voorgesteld dat ontwikkelingsorganisaties die voor overheidssubsidie in aanmerking willen komen voortaan een kwart van hun inkomsten zelf moeten binnenhalen, kijken veel van deze clubs angstvallig naar de goudpot in Amsterdam-Zuid. Even Boudewijn bellen. In de goededoelenwereld is hij oppermachtig.</p>
<p>Postcodesterren</p>
<p>Maar ziet hij dat zelf ook zo? Niet echt, vertelt hij in het hoofdkwartier van Novamedia (het bedrijf dat de Postcode Loterij, de Bank Giro Loterij en de Sponsor Loterij exploiteert). Aan de muur van zijn statige kantoor aan het Amsterdamse Vondelpark hangen metershoge foto’s van Postcodesterren als Nance en Caroline Tensen, in een vitrinekast liggen vele tientallen relatiegeschenken en promotiespullen uitgestald. ‘Voor organisaties als Icco en Hivos, die vrijwel uitsluitend afhankelijk zijn van subsidie van de overheid, zal het met het nieuwe beleid inderdaad lastig worden. Ze hoeven vast niet door mij van de ondergang gered te worden’, zegt Poelmann, ‘maar het lijkt me vooral ook niet de bedoeling dat de overheid die organisaties zomaar naar ons doorverwijst. Ik zou er niet blij mee zijn als de overheid ons op deze manier een grotere macht geeft. Wij doen ons eigen ding. Het geld dat wij uitdelen, moet extra zijn.’</p>
<p>Dat heeft wel eens tot conflicten geleid. Het ministerie van Justitie probeerde Vluchtelingenwerk te korten omdat die organisatie genoeg geld binnenkreeg via Poelmann cum suis. ‘Dat was toen echt alle hens aan denk. Met succes hebben we daar bezwaar tegen gemaakt. De overheid moet zijn eigen afweging maken, maar het argument kan nooit zijn: omdat er geld uit loterijen komt, verstrekken we minder subsidie. Dan worden onze loterijen een soort vrijwillige belasting. Daar zijn we niet voor. De criteria die wij aanleggen voor onze goede doelen, staan los van de Nederlandse politiek. Organisaties mogen niet te afhankelijk van ons worden.’</p>
<p>Daarom, zegt Poelmann, is een aantal harde afspraken gemaakt. En de Raad van Commissarissen beslist uiteindelijk of een organisatie wel of niet in aanmerking komt.</p>
<p>De ‘ideale beneficiënt’ moet volgens de officiële richtlijnen van de Postcode Loterij ‘geboren zijn uit het maatschappelijke middenveld’, moet worden gedreven ‘door passie vanuit haar missie’, moet ‘mentaal en financieel’ gevoed worden door ‘een zo breed mogelijke vertegenwoordiging van het publiek’ en ‘dus’ beschikken over een ‘breed maatschappelijk draagvlak en veel publieke waardering voor haar werk’. Maar ‘draagvlak’ is een rekbaar begrip. Poelmann: ‘Dat is meer dan het tellen van donateurs. Het gaat ook om achterban, om eigen fondsenwerving, om het aantal lezers van je blad. Daar kun je aan zien hoeveel mensen een organisatie steunen. Daarnaast moeten het organisaties zijn die thema’s aanpakken waar grote groepen mensen zich in kunnen vinden.’ Alleen organisaties die minimaal op nationaal niveau werken en ten minste 1 miljoen euro uit andere bronnen binnenhalen, worden toegelaten. De bijdrage van de Postcode Loterij mag nooit meer dan de helft van de eigen inkomsten beslaan.</p>
<p>‘Eigenlijk’, zegt Poelmann, ‘zijn het allemaal doelen geworden die zich met de grotere problemen bezighouden. Met hét armoedevraagstuk, oorlog en vrede, met de toekomst van de aarde.’ Dat zijn ook de clubs waar hij zelf warm voor loopt. ‘Natuurlijk heb je alle mogelijke sympathieke doelen die leuke kleine dingetjes doen, maar ik ben toch meer van het grote werk.’</p>
<p>Van activist tot multimiljonair: het levensverhaal van Boudewijn Poelmann (56) leest als een jongensboek. Ooit studeerde hij aan de zakenuniversiteit Nijenrode. En juist op dit bedaagde elitebolwerk werd hij getroffen door een vlaag van ontluikend activisme. ‘We hadden de eerste studentenstaking. Da’s best bijzonder’, pocht hij. ‘En het leverde ons maar mooi een vrije zaterdag op.’</p>
<p>Later, tijdens een vervolgstudie in Amerika, ging het écht ergens over. ‘Zo’n Vietnam-oorlog, dat is toch wel iets anders dan het Hollandse gekneuter’, zegt hij. Aan de universiteit van Oregon, waar Poelmann stond ingeschreven, werd massaal geprotesteerd tegen de hier ondergebrachte officiersopleiding van het leger. De situatie op de campus liep volkomen uit de hand. En Poelmann zat er, fotograferend voor een lokaal dagblad, middenin. Totdat niet meer duidelijk was bij welke partij hij hoorde. ‘Levensgevaarlijk achteraf: sommige studenten zagen me als een FBI-man. Maar ik was een journalist die dacht voor hun zaak op te komen. Word ik op gegeven moment zelf ook bekogeld! Toen de stenen over en weer vlogen, kwam daar een traangasaanval overheen. Militairen hebben me achter de linies in veiligheid gebracht.’ Een louterende ervaring? ‘Ach, je wordt er wel wat activistisch van. Je leert je snel een oordeel te vormen. Niet alleen door die rellen, maar door de hele politieke situatie. Vietnam hield iedereen enorm bezig, mij ook.’</p>
<p>Het betere actievoeren leerde hij terug in Nederland. Hij moest in dienst en kwam, nog onder de indruk van de Amerikaanse avonturen, terecht bij de Vakbond voor Dienstplichtig Militairen (VVDM). Als militair was Poelmann geen succes. Hij werd de officiersopleiding afgegooid omdat hij volgens de commandant ‘een goed leider maar een slecht militair’ was. Maar stencilen leerde hij bij de VVDM als de beste. Met medebestuurslid Derk Sauer, de latere oprichter van het Russische mediaconglomeraat Independent Media, voerde Poelmann met succes actie tegen de militaire groetplicht en het verbod op lang haar voor soldaten.</p>
<p>Met Sauer is Poelmann nog altijd bevriend. Aan de recente overname van Sauers Russische imperium door de Finse uitgever Sanoma, heeft ook Boudewijn Poelmann enkele miljoenen verdiend. Zakenbladen spreken licht bewonderend over ‘de rode miljonairs’. (Sauer is actief bij de Socialistische Partij en Poelmann is ‘ondanks alles’ nog altijd lid van de Partij van de Arbeid.) Verslaggevers van die zakenbladen staan dan ook regelmatig op de stoep om de nonchalant ogende Poelmann naar het geheim achter die lucratieve goede-doelenbusiness te vragen. Het is een cliché, constateren de verbouwereerde reporters dan, maar Poelmann is zo gewoon gebleven. Een nieuwe auto? Nee, die heeft hij nog nooit gekocht. Zijn tweedehands Citroën XM voldoet aardig.</p>
<p>Onlangs begonnen Poelmann en Sauer een nieuwe literaire uitgeverij. ‘Maar als ik nu jong zou zijn én ik zou weten wat ik nu weet, dan was ik meteen een loterij begonnen. Zo’n idee krijg je niet zomaar, dat bedenk je pas als je jarenlang hebt gezien hoe moeilijk hulporganisaties het hebben om steeds maar weer geld bij elkaar te harken.’</p>
<p>Toegegeven: de Postcode Loterij zou net zo makkelijk zónder de goede doelen kunnen bestaan. ‘Het concept is sterk genoeg. En doordat we dan meer aan marketing en prijzengeld kunnen besteden, zouden we waarschijnlijk ook groter geworden zijn. Maar voor mij is de lol er dan af’, zegt Poelmann. ‘Wat het voor mij aardig maakt, is dat je er iets goeds mee doet.’ Wat dat is? ‘Tja, dat heeft toch iets met te maken met wat we een betere wereld noemen. Vrede, mensenrechten, milieu – dat soort dingen. Het mooier en beter en rechtvaardiger maken van deze wereld: ik geloof dat mensen in hun diepste wezen daar vóór zijn. Dat is engagement, zeg maar. Ik had ook gewoon een paar commerciële banen kunnen doen, mijn hele leven bij een koekjesfabriek kunnen werken.’</p>
<p>Glossy jaarkalender</p>
<p>De loterij werd groot dankzij intensieve samenwerking met televisie en veelvuldige direct mail. Met dit soort communicatiemethoden maakte Poelmann in de jaren zeventig een stormachtige entree in de wereld van de ontwikkelingssamenwerking. Na een kortstondige carrière bij Daf (‘Dat werk ging helemaal nergens over, zelfs niet over auto’s.’), wordt hij in 1973 bij Novib in dienst genomen als fondsenwerver. Hij kreeg de opdracht nieuwe bronnen aan te boren. Uit zijn koker komt de glossy jaarkalender die tot op de dag van vandaag toonbeeld en uithangbord van politiek correct Nederland is. ‘Een kalender met kleurenfoto’s wel te verstaan. Dat kon dus echt niet. Dat was revolutie. Overal in de samenleving werden mooie producten gemaakt, maar bij Novib was zoiets tot mijn komst vloeken in de kerk.’ En dan die mailings die Poelmann ging rondsturen om donateurs te werven. ‘Een schande natuurlijk. Hoeveel bomen waren daar wel niet voor gekapt? Man o man, wat een gedoe.’</p>
<p>Maar het allerergste moest nog komen: de samenwerking met de aspirant-televisieomroep Veronica. Daarvoor durfde Poelmann niet eens naar het bestuur van de ontwikkelingsorganisatie. ‘Als ik ze om toestemming had gevraagd, dan was het me nooit gelukt’, zegt hij nu. Met Veronica-baas Rob Out sprak hij af dat de tijd die de voormalige piratenzender aan informatie en actualiteiten moest besteden volledig door Novib gevuld zou worden. ‘Ik kende Out en ik wist: die heeft helemaal geen belangstelling voor informatie. Dus ik zei: laat ons dat maar doen. Dan maken we gewoon wereldwijde programma’s. Dat is weer eens iets anders dan al het gewauwel over Den Haag. Dat was grappig voor Novib, maar ook erg grappig voor Veronica. Want dat hadden ze natuurlijk nooit verwacht in Hilversum: een linksige club die bij een stomme rechtse disco-omroep week in week uit over de derde wereld vertelt. Uiteindelijk vonden ze het prachtig. Want je bereikt natuurlijk een totaal andere groep met je derdewereldverhaal.’</p>
<p>Inmiddels lijkt iedereen aan de nieuwe marketingmethodes gewend. ‘Ik denk niet dat ik ontwikkelingsorganisaties op het gebied van fondsenwerving nog veel te vertellen heb’, zegt Poelmann bescheiden. ‘Maar het was indertijd bij Novib allemaal nieuw. Fondsenwervende instellingen aan de linkerkant van het politieke spectrum deden zoiets niet. Je ziet dat ontwikkelingsclubs tegenwoordig actief op zoek zijn naar andere vormen. Mijn generatie hoort dat verhaal over arme mensen immers al dertig jaar en er lijkt weinig schot in de zaak te zitten. Maar steeds weer zie je dat die organisaties met allerlei problemen komen om hun verhaal uit te leggen. Dat geeft de indruk dat die landen louter uit problemen bestaan. Wij doen dat niet. Wij laten alleen successen zien. Je kunt niet zware armoede laten zien en dan zeggen: koop een lot. Dat spoort niet in de menselijke geest. Neem zo’n tsunami. Daar kun je nooit en te nimmer een loterij voor organiseren. Dat is echt te smerig.’</p>
<p>Maar dat is ook niet nodig. Bij de noodhulp wil het juist wel lukken met de inzameling van geld. ‘Zoiets gaat toch aanzienlijk lekkerder dan een verhaal over de importquota op textiel. Emoties, daar draait het om. Wat dat betreft is er veel veranderd. De wereld is zoveel kleiner geworden: je kunt in een paar uur in India zijn en zo’n tsunami rolt op Tweede Kerstdag zo de huiskamer binnen. Ze hoeven het gironummer maar open te zetten of de miljoenen lopen binnen.’</p>
<p>Met dank aan Poelmann, overigens. Samen met Herman de Jong regelde hij voor Novib in de jaren zeventig gironummer 555. ‘Dat paste bij het moderniseren van zo’n organisatie. Het Rode Kruis had giro 777, dus wij lieten de Rijkspostspaarbank weten dat we graag gironummer 1 zouden willen hebben. Maar dat feest ging niet door. De Nederlandsche Bank bleek nummer 1 al te hebben. Toen kregen we uiteindelijk een lijst met mooie gironummers en daaruit kozen we 555. Voor 500 gulden hebben we dat nummer van een particulier in Den Haag moeten kopen.’</p>
<p>Terug naar de overheidssubsidies voor ontwikkelingsorganisaties. Minister Van Ardenne voor Ontwikkelingssamenwerking opperde onlangs de mogelijkheid dat medefinancieringsorganisaties hun eigen loterijen zouden kunnen opzetten om de noodzakelijke 25 procent aan eigen middelen binnen te halen.</p>
<p>Poelmann kijkt vragend naar het plafond. ‘Wat?’ Nee, van dit ministeriële advies had hij nog niet gehoord.</p>
<p>Na een korte stilte volgt een daverend lachsalvo. ‘Dat kunnen ze ook niet, echt niet! En trouwens, het past ook niet in de cultuur van die organisaties. Een loterij moet je schoon opzetten, dat doe je niet vanuit de geschiedenis van een ontwikkelingsorganisatie. De loterijen van de Zonnebloem of de Grote Club Actie zullen altijd klein blijven. Wij moeten het als Postcode Loterij op de markt verdienen. In de bedrijfsvoering zijn we puur commercieel. Het commerciële denken zit bij ideële organisaties niet ingebakken, dat gaat ze te ver. Die Batavieren, hè, die lopen daar nog steeds rond.’</p>
]]></content:encoded>
</item>
<item>
<title><![CDATA[Het succes van mobieltjes in Afrika (Onze Wereld, juli/aug 2005)]]></title>
<link>http://petervermaas.wordpress.com/2005/07/05/het-succes-van-mobieltjes-in-afrika-onze-wereld-juliaug-2005/</link>
<pubDate>Tue, 05 Jul 2005 22:19:58 +0000</pubDate>
<dc:creator>Peter Vermaas</dc:creator>
<guid>http://petervermaas.nl.wordpress.com/2005/07/05/het-succes-van-mobieltjes-in-afrika-onze-wereld-juliaug-2005/</guid>
<description><![CDATA[Mobiele telefonie is big business in Afrika. Dat is niet alleen goed voor de telefoonbedrijven, maar]]></description>
<content:encoded><![CDATA[<p>Mobiele telefonie is <em>big business</em> in Afrika. Dat is niet alleen goed voor de telefoonbedrijven, maar ook voor de Afrikanen. Nieuw onderzoek toont aan dat telefonie bijdraagt aan economische en sociale ontwikkeling. Het in Nederland gevestigde pan-Afrikaanse bedrijf Celtel kan daar van getuigen. ‘We zijn nog maar net begonnen.’</p>
<p>door: Peter Vermaas</p>
<p>‘Even voor de goede orde, ben jij een believer of niet?’, begint Joost Zuidberg, hoofd Afrika van investeringsbank FMO. ‘Of laat ik het anders zeggen: moet je nog overtuigd worden van het belang van mobiele telefonie voor de ontwikkeling van Afrika of kunnen we meteen to the point komen?’ Veel tijd heeft hij niet, maar als de bankier, in hemdsmouwen, nog eens kan vertellen hoezeer Afrikanen profiteren van moderne communicatietechnieken, dan doet hij dat graag en enthousiast. Al jaren investeert FMO in mobiele telefonie, maar pas sinds kort lijkt iedereen door te hebben wat op het Haagse kantoor al die tijd bekend was. ‘Mobiele telefonie brengt ontwikkeling’, zegt Zuidberg. ‘Dat is zo ontzettend obvious.’</p>
<p>Bedrijven die wereldwijd mobieltjes aan de man brengen, beamen dat. Zij zagen in Afrika, de snelst groeiende markt ter wereld, hun omzet de afgelopen jaren rigoureus toenemen. Het aantal mobiele gebruikers groeide alleen al in 2004 met 150 procent. Sinds de introductie in 1987 in Zaïre, zijn er over het hele Afrikaanse continent inmiddels zo’n 80 miljoen draadloze telefoontjes in gebruik. Dat is ruim drie keer zoveel als vaste telefoonlijnen. De klassieke mare dat op Manhattan meer telefoons beschikbaar zijn dan op het hele Afrikaanse continent gaat niet meer op. ‘Tenzij de New Yorkers en de forenzen meer dan twaalf telefoons per persoon zouden hebben’, grapte de Wereldbank in een onlangs verschenen rapport.</p>
<p>Uitschieters naar beneden zijn Ethiopië, Liberia en Guinee-Bissau, met alle drie een schamele 0,1 procent. Uitschieters naar boven zijn Mauritius (37,9 procent), Zuid-Afrika (36,4 procent) en enkele kleine dichtbevolkte landen (waar een mobiel netwerk sneller is uitgerold). Gemiddeld heeft inmiddels 9 procent van de Afrikanen een toestel. In Nederland is de ‘penetratie’, zoals dat heet, weliswaar al 100 procent, maar op een continent dat geplaagd wordt door armoede, honger en instabiliteit is 9 gebruikers per honderd inwoners substantieel te noemen. Bovendien worden de toestellen, vooral op het platteland, vaak met meerdere mensen gedeeld. Handige ondernemers kopen goedkoop grote bundels belminuten in, die ze vervolgens met een beetje winst doorverkopen. In gebieden waar nooit een openbare telefooncel was, kan nu iedereen in voorkomende gevallen contact met de buitenwereld leggen.</p>
<p>Dat is mooi voor de belbedrijven, maar schieten de Afrikanen er ook iets mee op? Ja dus. Alleen was dat nooit serieus onderzocht. Tot dit voorjaar. Op een conferentie verraste het Britse Vodafone, ’s werelds grootste mobiele aanbieder, met een grondig empirisch onderzoek naar de economische en sociale impact van mobiele telefonie op derdewereldlanden. Onder aanvoering van hoogleraar Leonard Waverman van de London Business School, die eerder onderzoek verrichtte naar de economische effecten van vaste telefoonlijnen in het Westen, werd in kaart gebracht welke waarde aan de mobiele explosie in Afrika gehecht moet worden.</p>
<p>En die is niet gering. Na controle op alle mogelijke variabelen die in de onderzochte periode (1996-2003) in de onderzochte landen evengoed aan ontwikkeling hadden kunnen bijdragen, komt Waverman tot de conclusie dat het bruto nationaal product van een ontwikkelingsland bij een toename van tien mobiele aansluitingen per honderd inwoners duurzaam met 0,6 procentpunt toeneemt. Doordat het veel goedkoper is een mobiel dan een vast netwerk aan te leggen, verdienen de investeringen zich relatief snel terug. De directe buitenlandse investeringen nemen in gebieden met mobiel netwerk significant toe.</p>
<p>Waverman cum suis weten hun optimisme in het Vodafone-rapport met cijfers en kleurrijke anekdotes te onderbouwen. Stel je eens voor, schrijven ze, hoe onze eigen samenleving eruit zou zien zonder telefoonverbindingen? Frankrijk had 35 jaar geleden ook nog maar acht (vaste) telefoonlijnen per honderd inwoners. Toen plattelandsdorpen werden aangesloten, betekende dat een enorme impuls voor de boeren: die wisten eindelijk wat de centrale marktprijzen voor hun producten waren en per telefoon konden ze op zoek naar alternatieve aanbieders van, bijvoorbeeld, kunstmest. Nee, dan die bananenboer in Afrika, zegt Joost Zuidberg van FMO. ‘Daar precies gebeurt hetzelfde. Maar ze slaan het tijdperk van vaste telefoons domweg over.’</p>
<p>De vraag was of ik nog overtuigd moest worden. Nou nee, eigenlijk niet.</p>
<p>In 1999 werkte ik als journalist een paar maanden in het Oost-Afrikaanse Uganda. In de veronderstelling dat dit nieuwe inzichten zou opleveren, deed ik voor een Nederlands weekblad vanuit hoofdstad Kampala verslag van het lokale nieuws. In Kampala ben je alleen snel uitgekeken. Wil je een getrouw beeld krijgen van wat er werkelijk in het land gebeurt, zo verzekerden de deskundigen me, dan was een meerdaagse plattelandstrip onontbeerlijk.</p>
<p>Ik toog naar het noordelijke stadje Arua in West-Nile, het district van oud-president Idi Amin. De gewezen dictator had zijn geboortegrond bedeeld met een immense partij metershoge schotelantennes, die bij het verlaten van het vliegveldje direct in het oog sprongen. Allemaal bedoeld voor telefonie, zo verzekerden de Ugandezen me. Maar gebeld werd er al jaren niet meer in Arua. De schotels, nog altijd in een halve hoek naar de hemel gericht, werden gebruikt om wasgoed in te drogen.</p>
<p>Dagelijks vertrokken bussen en vrachtwagens voor de lange tocht naar Kampala, maar de facto was Arua van de buitenwereld afgesneden. Alleen binnen het stadje kon worden gebeld, al was het aantal aansluitingen tamelijk beperkt. Wanneer mijn hoofdredacteur in Amsterdam een boodschap wilde overbrengen, zo instrueerde ik hem voor vetrek, dan kon hij bellen met de directeur van een Nederlandse ontwikkelingsorganisatie in Kampala, die vervolgens radiocontact zou leggen met zijn vertegenwoordiger in Arua om ten slotte het bericht telefonisch te laten overbrengen naar de uitbaatster van mijn hotel. Telefoonnummer: 6.</p>
<p>De hoofdredacteur heeft het niet eens geprobeerd.</p>
<p>Een jaar later keerde ik terug in Uganda. Het eens slaperige Kampala was overgenomen door een roodgele brigade folderende jongens en meisjes van de Zuid-Afrikaanse firma MTN. Mobiele telefonie voor iedereen, was het motto. ‘Pay as you go’: heel Uganda moest aan de pre-paid-telefoons. Overal verrezen standjes en containers waar simcards en beltegoed werden verkocht, billboards met vrolijk bellende Afrikaanse modellen domineerden het straatbeeld. Een hyperactieve Zuid-Afrikaan, type ruwe bolster, verantwoordelijk voor de bouw van de zendmasten, kon tijdens het ontbijtbuffet in ons gemeenschappelijke hotel nog maar over één ding praten: ‘building towers!’. Het netwerk moest zo snel mogelijk worden uitgerold. Uiterlijk 2002, zei hij, zou heel Uganda gedekt zijn.</p>
<p>Mijn redelijk welvarende vrienden waren met hun tijd meegegaan: ze droegen allemaal een glimmende Nokia aan de broekriem en legden me direct uit dat ‘bleeping’ de manier was waarop zij geld uitspaarden. Rijke bellers betaalden voor de wat minder kapitaalkrachtigen: wanneer mijn telefoon één keer overging, dan diende ik onverwijld het nummer van de ‘gemiste oproep’ terug te bellen.</p>
<p>Een paar dagen na aankomst probeerde ik fotograaf Jimmy Adriko, mobiel beller van het eerste uur, op het nummer van het jaar ervoor te bereiken. ‘Weet je waar ik ben?’ toeterde hij door de kraakheldere lijn. ‘Hartje Arua!’ De zieltogende drankfabriek van zijn oom kon dankzij de mobiele telefoon eindelijk tijdig de bestellingen van restaurants en hotels uit Kampala opnemen, vertelde hij. De zaken gingen beter dan ooit.</p>
<p>Uganda, zegt Joost Zuidberg van FMO, heeft voor Afrika een soort pioniersfunctie gehad. ‘MTN leverde daar het eerste bewijs dat er ook in heel erg arme landen bereidheid bestaat om telefoons af te nemen. Volledig pre-paid, natuurlijk. En het toestel moet je er zelf bijkopen. Maar het bewijs was er: in Afrika was meer geld aanwezig dan iedereen had verwacht.’</p>
<p>FMO stapte in 1999 in het toen net één jaar oude bedrijf Celtel (indertijd nog opererend onder de naam MSI) van de Brits-Sudanese zakenman Mo Ibrahim. Vijf maanden geleden werd Celtel voor een slordige 3,4 miljard Amerikaanse dollar verkocht aan het Koeweitse telecombedrijf MTC. Dat bedrag is volgens ingewijden nogal aan de hoge kant, maar de Koeweiti’s, die profiteren van de hoge olieprijs, hadden daar geen moeite mee. Zuidberg: ‘Zij zien wat iedereen ziet: de mobiele penetratie zal in Afrika doorgroeien naar 20 tot 30 procent.’</p>
<p>Ontwikkelingsbanken als FMO streken door de overname gezamenlijk 1 miljard dollar op. ‘Die centen komen uit Koeweit en gaan via de zakken van onze rijke ontwikkelingsbanken weer terug naar Afrika. Ook dat is goed nieuws’, zegt Celtel-topman Marten Pieters (oud-KPN). Zijn onderneming, met meer dan zes miljoen gebruikers in dertien Afrikaanse landen, mag dan in andere handen zijn overgegaan, veel zal er niet veranderen. Er is zelfs afgesproken dat het veel geprezen maatschappelijk verantwoord ondernemingsbeleid mag blijven bestaan. ‘De Koeweiti’s laten het bedrijf bestaan zoals het nu is. Maar hun kapitaal geeft ons toegang tot nieuwe markten’, zegt chief executive officer Pieters. Want in Afrika is Celtel nog lang niet klaar. ‘Het is een hardnekkig misverstand dat Afrikanen geen geld zouden hebben. Dat is echt niet zo. De Coca Cola’s en de Unilevers weten dat: die hebben de hele wereld tot hun werkgebied verklaard. Maar kleinere bedrijven hebben de potentie en de koopkracht van het Afrikaanse continent onderschat. En communicatie is, zeker in Afrika, een eerste levensbehoefte. Mensen blijken bereid daar veel meer aan uit te geven dan hier in het Westen. Het eind is nog lang niet in zicht, we zijn nog maar net begonnen.’</p>
<p>Om fiscale redenen opereert Celtel (‘making life better’) vanuit het Nederlandse Hoofddorp. Dat blijft zo. Ook het management zal niet gewijzigd worden, verzekert Pieters. En het succes van de enige pan-Afrikaanse provider, zónder thuismarkt in Europa, is voor een groot deel aan dat Afrikaanse management te danken, meent hij. ‘Zonder Afrikanen in het management was het veel slechter gegaan. Voor westerse ondernemers is het enorm moeilijk zaken doen in die regio. De politieke achtergronden, de culturele verschillen: voordat je dat door hebt, zijn je Afrikaanse concurrenten alweer een stap verder.’ Vorig jaar nam Celtel voor 250 miljoen dollar een meerderheidsbelang in een grote Keniaanse mobiele aanbieder. Pieters: ‘Om dat te vieren, hadden we een grote partij in Nairobi. Als onze bestuursvoorzitter Mo Ibrahim bij zo’n gelegenheid een praatje houdt over onze visie op ondernemen, dan luisteren al die gasten uit de politiek en het zakenleven veel beter dan wanneer een witneus dat doet. Zoiets maakt honderd keer meer indruk.’</p>
<p>In Uganda waren het MTN en Celtel die de markt openbraken. Met drie sterk concurrerende mobiele aanbieders daalden de prijzen aanzienlijk. Dat is een van de redenen dat FMO geld stak in Celtel. ‘Zonder concurrentie zou het marktbeeld totaal anders zijn. Dan liggen de kosten tien keer hoger’, zegt Joost Zuidberg van FMO. ‘Neem Kameroen. Daar heb je alleen het staatsbedrijf en Orange zit als enige commerciële aanbieder te slapen. Als MTN in zo’n land binnenkomt, dan heb je in een half jaar een half miljoen extra mobiele gebruikers, tegen een lagere prijs.’</p>
<p>Ook in een land als Ethiopië, met alleen een staatstelecombedrijf, is mobiele telefonie vooralsnog slechts beschikbaar voor een politieke en zakelijke elite. Hier bestaan zelfs eindeloze wachtlijsten voor simcards. Zoals dat ‘vroeger’ met vaste telefonie gebruikelijk was, werken de staatsbedrijven nog vaak met rekeningen achteraf. Daardoor kunnen alleen mensen met een postadres zich abonneren. Terwijl het succes van mobiele telefonie in de rest van Afrika juist sterk samenhangt met het vooruitbetalen. Zuidberg: ‘De Afrikaan denkt in cash. Hij heeft zijn geld op zak en budgetteert de hele dag. Pre-paid past in die manier van leven. Zou je krediet verlenen, dan kan het sneller misgaan. Nu heb ik nog geen enkel bericht ontvangen van mensen die in financiële problemen zijn gekomen door overmatig bellen.’ Klachten kwamen vooralsnog slechts van de grootste bierbrouwer van het continent, South African Breweries. Die zagen de Afrikaanse bierconsumptie afnemen door de uitgaven aan mobiele telefonie.</p>
<p>De Haagse vergaderkamer waar Zuidberg het woord voert, is overladen met Afrikaanse souvenirs. ‘Van onze vrienden gekocht, bedoeld om door te verkopen.’ Twintig jaar lang woonde hij zelf in Afrika. ‘Al het zakelijk verkeer ging via de telex. Enorm omslachtig. Nu zie je dat ondernemingen een enorme impuls krijgen als hun vertegenwoordigers elkaar niet meer fysiek hoeven te ontmoeten.’ En met een telefoonnummer doet ook de kleine ondernemer mee aan de wereldeconomie. Zoals de oom van de fotograaf in het afgelegen stadje in Uganda. ‘Of neem die cacaohandelaren in Ivoorkust’, zegt Zuidberg. ‘Jarenlang werden ze genaaid door de opkopers aan de kade. Nu bellen ze gewoon even naar Londen om de actuele cacaoprijs door te krijgen. Dat is geweldig, dat is vooruitgang!’</p>
<p>Toegegeven, zegt Joost Zuidberg: mobiele telefonie kan veel aan ontwikkeling bijdragen, gezondheidszorg, onderwijs of voedselzekerheid krijg je er niet mee. ‘Maar als je een land vooruit wil brengen, dan moet je naar de lange termijn kijken. Het is misschien iets minder aaibaar dan de humanitaire hulp van ontwikkelingsorganisaties, maar ik geloof er heilig in dat economische ontwikkeling op de lange duur verbetering brengt.’</p>
<p>Om over de verbeteringen in het privé-leven van mensen nog maar te zwijgen. Het onderhouden van contacten tussen familieleden die voor werk of studie soms honderden kilometers van elkaar verwijderd zijn, draagt óók bij aan verbetering van levensomstandigheden, melden de onderzoekers van Vodafone in hun rapport. ‘Sociaal kapitaal’, zouden sociologen dat noemen: het participeren in sociale netwerken. Zuidberg: ‘Vergeet nooit: Afrikanen houden enorm van ouwehoeren.’</p>
]]></content:encoded>
</item>
<item>
<title><![CDATA[JPII, de radicaal (OnzeWereld, mei 2005)]]></title>
<link>http://petervermaas.wordpress.com/2005/05/01/jpii-de-radicaal-onzewereld-mei-2005/</link>
<pubDate>Sun, 01 May 2005 16:50:34 +0000</pubDate>
<dc:creator>Peter Vermaas</dc:creator>
<guid>http://petervermaas.nl.wordpress.com/2005/05/01/jpii-de-radicaal-onzewereld-mei-2005/</guid>
<description><![CDATA[In arme landen wordt hij nog steeds aanbeden, de overleden paus Johannes Paulus II. Wat was zijn mee]]></description>
<content:encoded><![CDATA[<p>In arme landen wordt hij nog steeds aanbeden, de overleden paus Johannes Paulus II. Wat was zijn meerwaarde daar, behalve kerkvader zijn? Een portret van de man die inspireerde tot verzet tegen mijnbouw.</p>
<p>DOOR PETER VERMAAS</p>
<p>De banden tussen Johannes Paulus II en het Zuiden waren nauw. De op 2 april overleden paus had zijn uitverkiezing in 1978 deels te danken aan de effectieve derdewereldlobby van de Braziliaanse kardinaal Lorscheider. Deze man was hoopvol gestemd over de Poolse geestelijke. JPII had de last van een onderdrukkend regime aan den lijve ondervonden en zou daardoor wellicht heldere gedachten hebben over een praktischer aanpak van sociale en politieke onrechtvaardigheid, in lijn met de in die tijd populaire, op marxistische maatschappijanalyse geïnspireerde ‘bevrijdingstheologie’. Lorscheider liet bij het conclaaf van 1978 expliciet weten op zoek te zijn naar ‘een goede herder, ontvankelijk voor sociale vraagstukken’. Bovendien, zei hij indertijd, ‘zouden regelmatige bezoeken van de paus aan de verschillende continenten zinvol zijn’.</p>
<p>Dat heeft hij geweten. Met zijn 104 buitenlandse reizen heeft paus Johannes Paulus II meer airmiles verzameld dan al zijn voorgangers bij elkaar. Zijn eerste trip ging, in januari 1979, naar de Derde Wereld. Meer precies: naar de Dominicaanse Republiek en Mexico. Een regio waar de katholieke kerk zonder enig voorbehoud springlevend is. Terwijl de Mexicaanse machthebbers niet echt op het pausbezoek zaten te wachten en hem op het vliegveld met een sobere ontvangst onthaalden, kwamen miljoenen gelovigen hun huizen uit om de paus op zijn tocht door Mexico-Stad toe te juichen. ‘De cultus rond zijn persoonlijkheid, waarop het pausdom van Johannes Paulus II zou gedijen’, schrijven Carl Bernstein en Marco Politi in hun gezaghebbende biografie <em>Zijne Heiligheid</em>, ‘werd geboren tijdens zijn zegetocht door Mexico’. Maar hier in Mexico liet de nieuwe paus meteen weten dat kardinaal Lorscheider zich vergist had: van de bevrijdingstheologie moest hij niets hebben. ‘Deze opvatting over een politieke Jezus, een revolutionair, het subversief element uit Nazareth, valt niet te verenigen met de kerkelijke leerstellingen’, zei de paus.</p>
<p>Vele reizen zouden volgen. Door Afrika, door Azië, door het Midden-Oosten en steeds ook weer door Latijns Amerika. ‘De paus wijdde vrijwel al zijn tijd als kerkleider aan de strijd voor vrede, het gevecht voor sociale rechtvaardigheid, het gevecht tegen het lijden, het gevecht tegen honger en tegen armoede’, memoreerde de diep geraakte Braziliaanse president Lula da Sila na het overlijden van de kerkvader. Lula memoreerde de eerste ontmoeting die hij in 1980 met de paus had. Zelf was hij toen nog een beklagenswaardig vakbondsleider in een land dat zuchtte onder militaire dictatuur. ‘Het was niet gebruikelijk dat een autoriteit als de paus iemand ontving die vervolgd werd door het militair regime.’</p>
<p>Modern jasje</p>
<p>Door in de derde wereld zijn gezicht te laten zien, zegt Victor Scheffers van de katholieke vredesorganisatie Justitia et Pax, toonde de paus zich solidair met de arme bevolking. ‘Johannes Paulus II kende de wereld, terwijl veel van zijn voorgangers twee keer per jaar in het openbaar verschenen om de zegen over de stad en de wereld te geven, en de rest van de tijd weer veilig opgeborgen waren in het Vaticaan. Deze paus maakte de gelovigen ervan bewust dat ze macht hebben, dat ze zelf een instrument zijn bij de verandering van hun moeilijke situatie. Die boodschap heeft hij eerst en vooral in Polen verkondigd, maar daarna overal in de wereld verspreid. Armoede is iets wat mensen treft, schrijft hij in de encycliek <em>Sollicitudo Rei Socialis</em>, maar ook iets waaraan ze zelf iets kunnen doen.’</p>
<p>Het is deze encycliek uit 1987, betogen Vaticaan-watchers met hart voor internationale samenwerking, die bepalend is geweest voor het pontificaat van Johannes Paulus II. Oud-directeur Hans Kruijssen van de katholieke hulporganisatie Cordaid: ‘In feite herhaalt hij hierin wat in de jaren zestig door Paulus VI werd opgeschreven en het begin vormde van hulporganisaties als Vastenactie. Maar hij maakte de boodschap veel krachtiger en goot alles in een modern jasje. In de jaren zestig kon je nog zeggen dat het bouwen van scholen het belangrijkst was, in de jaren tachtig gaat het meer om processen van mensen. Het is een absolute schande dat mensen in armoede moeten leven, betoogde de paus. Door daar een zware nadruk op te leggen heeft hij een zeer positieve bijdrage geleverd aan het denken over internationale solidariteit.’</p>
<p>Dat bevestigt NCDO-voorzitter en CDA-senator Jos van Gennip. Hij roemt de ‘enorme inzet voor de armen’ van Johannes Paulus II en wijst erop dat het Vaticaan een ‘centrale kracht’ is geweest bij het totstandkomen van de millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties in ‘jubeljaar’ 2000. Van Gennip: ‘Uit de encyclieken van deze paus spreekt een zeer krachtige boodschap tegen het ongebreideld kapitalisme, voor een andere globale markteconomie.’</p>
<p>Avant la lettre</p>
<p>JPII als andersglobalist avant la lettre? Jazeker. Wie er oog voor had, heeft tijdens de afgelopen 26 jaar een radicale kerkleider gezien. Theoloog Mario Coolen, medewerker van Solidaridad en Guatemala-deskundige, hield zich daaraan vast. ‘Als je de documenten van de paus probeert te vertalen naar concreet beleid’, zegt hij, ‘dan zet je Latijns Amerika volkomen op zijn kop. Een groot deel van de bevolking van Midden-Amerika leeft illegaal in de Verenigde Staten, omdat er in eigen land, als gevolg van het economisch model dat door internationale instellingen is opgelegd, geen werk is. De paus heeft geschreven over het recht van mensen om te leven en te werken op de plek waar ze geboren zijn, over landbezit en het recht van kleine boeren op grond. Dat betekent niet anders dan dat hij het beleid van de Wereldbank en het Internationaal-Monetair Fonds verwerpt’, zegt Coolen. ‘Niet de economie heeft de eerste rechten, maar mensen staan centraal en bij het opbouwen van een economie moet je daar rekening mee houden omdat anders de zaak ontspoort.’</p>
<p>Vooral kardinaal Oscar Rodriguez van Honduras, door Johannes Paulus II benoemd, viel de laatste jaren op door een uitgesproken uitleg van het pauselijk woord. Het geweld van repressieve dictaturen in Latijns-Amerika is volgens hem in de jaren negentig overgenomen door de internationale financiële instellingen. Voor de bisschoppen van Guatemala, vervolgt Mario Coolen, waren de teksten van de paus aanleiding om zich te verzetten tegen door de Wereldbank gesteunde mijnbouwprojecten. Bisschop Ramazini van San Marcos werd hierdoor met de dood bedreigd.</p>
<p>Wat dat betreft is er sinds de jaren zeventig en tachtig, toen in El Salvador de progressieve bisschop Oscar Romero werd vermoord, niet veel veranderd, zegt Coolen. ‘Het is alsof het onderdrukkende stramien binnen een globaliserende context wordt geplaatst. Maar omdat wij deel zijn van de Wereldbank, zijn we er nu ook zelf bij betrokken. Dat plaatst ons engagement in een reëler karakter dan 25 jaar geleden.’</p>
<p>Het radicalisme van de rooms-katholieke Kerk in Zuid- en Midden-Amerika heeft niet altijd op evenveel steun vanuit het Vaticaan kunnen rekenen. Aan het begin van zijn pontificaat heeft Johannes Paulus II zich juist in deze regio een aantal keren grondig vergaloppeerd. Zo veroordeelde hij in 1983, onder invloed van de Amerikaanse president Reagan, de in derdewereldkringen populaire linkse junta in Nicaragua. Deze Sandinistische militairen had de bijna veertigjarige Somoza-dynastie verdreven. ‘Tussen het christendom en de revolutie bestaat geen tegenstrijdigheid’, vonden de aanhangers van de sandinisten. Verschillende prominente geestelijken speelden daarom een rol bij het regime. De sociale plannen van de junta waren behoorlijk ambitieus en geheel in lijn met de latere pauselijke encycliek. Maar de bevrijdingstheologie, waarin de clerus de revolutie predikte, bleek opnieuw niet aan de paus besteed. Junta-minister en priester Ernesto Cardenal, die bij het bezoek in 1983 rekende op de zegen van de paus, kreeg nul op het rekest.</p>
<p>Typisch Hollands</p>
<p>Vóór alles wilde deze paus uit Polen het socialisme bestrijden, vergoelijkt de progressieve Salvadoraanse bisschop Rosa Chavez. In de week van de pauselijke hemelvaart was Chavez op uitnodiging van Cordaid even in Nederland voor de herdenking van de moord op Romero. ‘Als je gevormd bent in een land dat zucht onder het juk van het communisme’, zegt hij, ‘dan kies je automatisch voor het tegenovergestelde. In zijn eerste jaren, toen alles beheerst werd door de Koude Oorlog, had deze paus er moeite mee om voorbij de ideologieën te kijken. Het Sovjetgevaar was bij hem alom aanwezig. Maar voor het lijden van de armen heeft hij altijd aandacht gehad.’</p>
<p>Bisschop Chavez is al jaren warm pleitbezorger van de zaligverklaring van zijn vroegere chef Romero. Maar hoewel Johannes Paulus II tamelijk scheutig was met zaligverklaringen, is dit hem vooralsnog niet gelukt. ‘De paus heeft de zaligverklaring van Romero altijd geblokkeerd’, meent Victor Scheffers van Justitia et Pax. ‘Hij vond Romero te ver gaan in zijn oproep aan de armen om in opstand te komen. In zijn kijk op bevrijdingstheologie was hij inderdaad echt een Poolse paus. Iemand die achter iedere boom een communist vermoedde.’</p>
<p>Want liet hij de sandinisten in 1983 nog links liggen, in 1987 haalde de paus zich de woede op de hals door juist wel goede banden aan te knopen met de Chileense generaal Pinochet. Tot overmaat van ramp liet hij zich aan het eind van het bezoek in gezelschap van de dictator vanaf het vanaf balkon toejuichen door de aanhangers van het regime.</p>
<p>Jos van Gennip noemt het ‘typisch Hollands’ hierover te klagen. ‘Je kon er in Latijns Amerika de klok op gelijk zetten: steeds als de paus bij een bepaald regime op bezoek was geweest, dan viel dat regime korte tijd later. Als je gelooft dat mensen te overtuigen zijn, dan moet je soms wel eens de verkeerde handen schudden’, vindt Van Gennip. Maar voor Victor Scheffers was het optreden van de paus met Pinochet ‘een slag in het gezicht van de kerk’. ‘Uitgerekend in Chili had je een moedig episcopaat dat zich verzette tegen de mensenrechtenschendingen onder het regime van Pinochet, en die zien dan hun kerkleider samen met hem op het balkon. Dat signaal is door heel veel mensen volkomen verkeerd begrepen’, zegt Scheffers.</p>
<p>Mario Coolen van Solidaridad: ‘Met het bestrijden van politiek links ging de paus voortvarender te werk dan met het bestrijden van politiek rechts. Vreemd genoeg zijn de uitspraken van deze paus radicaal, maar hij is altijd bang geweest voor het vertalen van die radicale uitspraken in een radicale politiek. Hij vond dat de kerk zich niet te veel met de praktijk moest bezighouden, zoals in Nicaragua.’</p>
<p>Typisch Nederlands, zo’n wijzend vingertje? Misschien wel. Of in ieder geval westers. Want wie een willekeurige blik werpt op de necrologieën die de kranten van Bombay tot Kinshasa en van Brasilia tot Manilla afdrukten, ziet dat vooral in Europa die andere heikele misstap van Johannes Paulus II, de afwijzing van condooms in de strijd tegen HIV/Aids, wordt opgemerkt. Toch is het nog maar twee jaar geleden dat kardinaal Trujillo, voorzitter van de pauselijke raad voor het gezin, het anti-condoomstandpunt schraagde met de bewering dat het HIV-virus zo klein is dat het eenvoudig dwars door een condoom kan dringen. Het was voor de katholieke minister Van Ardenne voor Ontwikkelingssamenwerking reden genoeg om haar beklag te doen bij de Nederlandse kardinaal Simonis. Maar in de meeste kranten op het zwaarst getroffen Afrikaanse continent blijft de behoudende bevolkingspolitiek van het Vaticaan onbesproken. Over de doden niets dan goeds.</p>
<p>Condooms uitdelen</p>
<p>Natuurlijk, zegt oud-directeur Hans Kruijssen van Cordaid, zitten veel katholieken hiermee in hun maag. Maar aan de andere kant: ‘Was het maar zo dat de kerk zo veel invloed had dat als de paus morgen condooms zou toestaan, dat iedereen ze opeens gaat gebruiken! De weerstand in Afrika is ook behoorlijk cultureel bepaald.’ Maar, zegt hij, je moet de boodschap ook niet al te letterlijk nemen. ‘Wij calvinisten denken altijd dat wat op papier staat precies wordt nageleefd. Maar dat is helemaal niet zo.’</p>
<p>Vorig jaar was Kruijssen nog in Brazilië. ‘Formeel is bijna iedereen daar katholiek. Maar als je in de favela’s komt, dan is daar geen priester te bekennen. De rol van de kerk in ethische kwesties is daar dus gering. Mensen gaan dan heus niet eerst op zoek naar een priester voordat ze besluiten wel of niet een condoom te gebruiken. En toen president Lula, een vroom katholiek, tijdens het carnaval miljoenen condooms uitdeelde, is daar geen enkele reactie van de kerk op gekomen. Mensen zijn in hoge mate vrij zelf te besluiten.’</p>
<p>Mario Coolen hoopt wat dat betreft op een tussenweg. De kerk, zegt hij, is tegen wapens, want wapens zijn dodelijk. ‘Toch zegt het Vaticaan: er zijn situaties waarin wapens gebruikt moeten worden om groter onheil te bestrijden. Zou je zoiets niet ook over condooms kunnen zeggen?’</p>
]]></content:encoded>
</item>

</channel>
</rss>
